|
Voor altijd moeder is ook als luisterboek uitgebracht
Uit Voor altijd Moeder:
Verantwoording
Over mijn zoon heb ik eigenlijk nooit willen schrijven. Niet durven
schrijven. Ook in interviews lette ik goed op wat ik wel en niet
aan de media prijsgaf. Ooit - ons kind was vier jaar oud -, kreeg
ik onenigheid met een journaliste omdat zij in een interview met mijn
echtgenoot (schrijver en arts Ivan Wolffers) informatie over ons
kind had verwerkt die zij uit mijn mond had opgevangen. Iets wat
niet verteld was om te worden gepubliceerd. Nieuws dat per brief
op het moment van het interview binnenkwam: Het
elektrocardiogram van onze zoon vertoonde na vier bange jaren eindelijk
geen enkele afwijking meer.
Op het moment dat dit boekje verschijnt is onze gezonde zoon (Kaja)
bijna negenentwintig, voornemens te trouwen, en woont hij al meer
dan twaalf jaar op zichzelf. Ikzelf ben spoedig in mijn 50ste levensjaar.
Toen ik zo oud was als Kaja nu, was ik moeder van een zoon van acht.
Met hem en zijn vader reisde ik de wereld rond. Op de avond dat
Ivan en ik elkaar leerden kennen, zeiden we veel te willen reizen
en schrijven. Met het schrijven begonnen we meteen. Maar het reizen
moest wachten totdat Kaja op zijn vierde genezen werd verklaard,
en sterk genoeg was voor de nodige inentingen.
Ik schreef vele boeken, maar Kaja, of iemand zoals mijn zoon, kwam
er niet in voor, behalve, op beperkte wijze in De honden van Slipi.
(De honden van Slipi,
uitg. De arbeiderspers, 1992) Hij stond model voor Boy, de zoon
van het echtpaar uit Nederland. Het verhaal speelt zich af in Jakarta.
Een jonge Indische vrouw en haar Nederlandse echtgenoot bezoeken
samen met hun vierjarige zoontje Indonesië voor het eerst.
Er is weleens opgemerkt door een recensent dat het ventje te wijs
was voor zijn leeftijd. Welnu, het veel te pientere jongetje in
die roman was eigenlijk nog lang niet zo bijdehand als mijn zoon
op die leeftijd uit de hoek kon komen, en ook is die romanpersonage
nog niet half zo humoristisch. Ik kneedde het kind in De honden
van Slipi naar wat nodig was voor mijn roman over de veranderende
relatie van Indischen tot de Gordel van Smaragd. Het verhaal van
de derde generatie Indische jongen, op sleeptouw genomen door zijn
ouders, die zijn eigen interesse krijgt, met een eigen vorm, en
eigen prioriteiten.
Het was volstrekt niet de bedoeling dat ik mijn zoon in een boek
zou vereeuwigen. Integendeel, ik vond het diep in mijn hart onaangenaam
dat ik iets van zijn wezen prijsgaf in mijn literair werk dat een
eigen leven zou leiden, beoordeeld kon worden, of erger nog, waarin
mijn zoon zichzelf zou kunnen herkennen. Hij zou gekwetst kunnen
worden door zowel verschillen als gelijkenissen. Ik wilde hem dat
besparen.
Mijn schrijverschap en mijn moederschap probeerde ik zoveel mogelijk
gescheiden te houden. Op een enkel kortverhaal na "Zwijgen
tot het graf" geschreven op mijn vijftiende, en gepubliceerd
op mijn zestiende- publiceer ik precies net zolang als dat ik moeder
ben.
Toen ik "Zwijgen tot het graf" over moederschap
en de betekenis ervan in een vrouwenleven schreef, was ikzelf
in de liefde nog niet verder gekomen dan voorzichtig tongzoenen.
Het zou nog drie jaar duren voordat ik een idee had van wat ik in
het verhaal zo luchtig neerschreef:
"Het is voor elkaar, ik ben geen maagd meer. Ik heb volop
genoten en ik ben zelfs gelukkig. Eigenlijk wil ik mijn ouders nu
al vertellen dat ze over negen maanden grootouders zijn, maar ik
moet zwijgen. Mijn vriend praat over verloven. Hij vroeg of het
zeker was dat ons samenzijn geen gevolgen hebben zou. Ik heb alleen
maar geglimlacht.
Er zijn nu vier maanden voorbij. Ik ben bij geen dokter geweest,
maar ik weet genoeg. Het was mijn enige kans, en deze is gelukt.
Morgen ga ik het mijn ouders vertellen, en vandaag mijn vriend
"
(Zie de bundel "Vliegers onder
het matras", het verhaal "Ik zwijg als het graf".
Uitg. De Arbeiderspers 1990)
Het moederschap heeft mij in één keer volwassen gemaakt.
Ik was meisje, studente, jong, naïef, onverantwoordelijk en
uit op avontuur. Opeens werd ik moeder, en vervolgens in enkele
dagen tijd volwassen, met verantwoordelijkheden waar ik niet op
was voorbereid. Enkele vrouwen in mijn omgeving kregen op hun zevenendertigste
hun eerste kind. Ik was zevenendertig toen mijn zoon het huis uitging.
Toen Kaja al op zeventienjarige leeftijd zelfstandig ging wonen
schilderde en tekende ik bijna alleen nog maar babys. Doeken
uit die tijd tonen naakte babys die spottend en uitdagend
de wereld inkijken, en zich losrukken uit de armen van de volwassene
die de baby koestert. Ik wist zelf niet waarom, en zag aanvankelijk
geen verband met zijn prille zelfstandigheid en mijn eigen gedwongen
loslaten. Het gedicht Moeder tot zoon was het eerste dat over moederschap
uit mijn vingers kwam. Dat gedicht was nooit bedoeld om door anderen
gelezen te worden. Maar het kan raar lopen. In een impuls voegde
ik het toe aan een bibliofiele uitgave van mijn gedichten en zeefdrukken
(Hoop op nieuwe woorden, bibliofiele uitgave van Ravenberg Pers,
1995). Mijn zoon las het voor het eerst nadat de bundel in mijn
atelier aan een bescheiden genodigd publiek was gepresenteerd.
De gedichten Later is vroeger verdwenen en Striae zijn nog niet eerder
gepubliceerd, maar in diezelfde periode als Moeder tot zoon geschreven.
Er waren meer dan vijfentwintig jaren voorbij sinds de geboorte
van Kaja toen ik over mijn ervaringen rondom
zwangerschap en moederschap schreef voor KNMO-Info, en informatieblad voor
medische studenten. De redactie had mij uitgenodigd te schrijven over mijn
ervaring met de medische wetenschap.
Ik deed dat in eerste
instantie afstandelijk, met nauwkeurigheid van details. De inhoud
was zonder toevoegingen uit mijn fantasie al sensationeel genoeg.
Een lastige moeder is daar een bewerkte versie van. Van meisje
moeder schreef ik in diezelfde periode, 1999, maar liet ik
niemand lezen. Ter gelegenheid van deze uitgave heb ik die
teksten herschreven. Een slechte moeder is speciaal voor dit boekje
op papier gezet. Bovengenoemde verhalen kunnen afzonderlijk gelezen worden,
maar in de volgorde zoals ze in deze bundel verschijnen, krijgen ze een
meerwaarde.
Tussen twee fotos schreef ik in de lente van 2001 (in opdracht
van Uitgeverij Archipel voor de zomerbundel Souvenir.) Dit verhaal
is een literaire verwerking van mijn persoonlijke ervaringen, en
vervlecht herinneringen en toekomstverwachtingen met wat de tijd
met ons doet en heeft gedaan. Het is geen toeval dat het verhaal
verteld wordt naar aanleiding van twee fotos die elk betrekking
hebben op een reis naar Istanboel, de stad waar de grens tussen
Europa en Azië doorheen loopt.
De eerste reis maakte ik met Ivan, als eerste stap om een droom
ver en veel reizen te verwezenlijken. Ik keek op tegen dat verre
werelddeel waar mijn ouders vandaan kwamen, dat mij trok en afstootte
tegelijk. Er was een hang naar avontuurlijk leven, maar tegelijk
was er de vrees om de Bosporusbrug op te gaan. Een ondefinieerbare
angst voor het onbekende die werd aangewakkerd door de zwangerschap.
De tweede reis naar Istanboel maakte ik met Kaja, van wie ik tijdens
het eerste bezoek aan die stad zwanger was, en die met mij en zonder
mij al ontelbare malen in dat verre werelddeel was geweest. Azië
was als het ware om de hoek, het lag inmiddels dichterbij dan Den
Helder of Terneuzen.
De tekeningen in dit boekje zijn niet bedoeld als illustratiemateriaal,
maar uitgekozen omdat ze op een of andere wijze iets met moederschap
te maken hebben. Het thema is altijd sterk aanwezig geweest in mijn
tekeningen en schilderijen.
Mijn moederschap is niet verlopen zoals de meeste moederschappen,
mijn ervaring met de medische wereld is naar ik hoop evenmin representatief,
en dit is ook niet het typische verhaal van een Indische vrouw die
moeder wordt in Nederland.
Waarom ik anno 2001 besloten heb om iets autobiografisch over
het moederschap te publiceren, weet ik niet. Door de gebeurtenissen
neer te schrijven kreeg ik inzicht in mijn
leven als moeder. Hoe ik opeens meisje af was, en volwassen moest
zijn. Hoe ik weer onbezonnen en roekeloos werd toen de angst mijn
zoon aan die fatale ziekte te verliezen verdween. Hoe ik terugschrok
toen ik merkte dat mijn roekeloosheid zijn neerslag had op mijn
kind. Hoe dat moedergevoel uiteindelijk mijn prioriteiten heeft
bepaald, en hoe je eenmaal moeder, altijd moeder blijft, met nieuwe
zorgen en angsten.
Je denkt dat je volwassen bent, twintig jaar oud, moeder van een
zoon, en vastberaden je kind niet te verliezen. Woede houdt je overeind
waar tranen je de moed zouden doen verliezen. Zelfmedelijden heb
je niet, want je prijst jezelf gelukkig dat je baby nog leeft. Maar
nu, meer dan een kwart eeuw later kijk ik met verbazing naar dat
kind met een kind dat niet over haar eigen situatie nadacht, maar
gewoon deed wat van haar als moeder werd verlangd. Alsof ik die
jonge moeder zelf niet was, maar dat het om een deel van mezelf
gaat dat ik in de loop der jaren ben kwijtgeraakt. Daarom dit boekje
over een kind dat een kind kreeg, en volwassener was dan ik nu als
vrouw van bijna vijftig nog kan zijn.
Marion Bloem.
|