'Geluk bestaat niet. Voor geluk moet je zelf gaan'

“Erg hè,” zegt de Marokkaanse taxi chauffeur. Heeft hij het over Bush, die aan het winnen is? Over de moord op Van Gogh? Doelt hij op de file waardoor ik mijn vliegtuig naar Boedapest, vanwege de wedstrijd van Feyenoord tegen Ferencvaros, de club met een aanhang van extreem rechtse racistische supporters, dreig te missen?
’Ik vind dat je respect voor elk geloof hoort te hebben. Maar nergens in de koran staat dat je een mens mag doden. Ik ben moslim en mijn Nederlandse vriendin gelooft nergens in. Ik kan met iedereen omgaan. Sommigen zijn voor een bepaalde voetbalclub en maken ruzie, maar ik ben voor de club die het beste speelt.’
Die avond tijdens de persconferentie van Gullit in het stadion van Ferencvaros denk ik aan zijn opmerking. Ik ben voor Feyenoord, bij voorbaat, en ik weet niet wie het beste speelt. Een Hongaar vertelt dat er een anti-racisme affiche gemaakt is en als gebaar moet iedereen twee minuten nadat de wedstrijd begonnen is, het affiche omhoog houden.
Een Nederlandse journalist vraagt:‘Waarom niet vòòr de wedstrijd, waarom als de wedstrijd al begonnen is?’ Een ander vraagt:’Wie moeten wat omhoog houden? De voetballers?’
Ruud wil het racisme onderwerp afsluiten, maar de Nederlandse pers zet zijn tanden er nog even in. Als een Mohammed Ali die dansend om zijn tegenstander de slagen pareert of ontwijkt blijft Ruud charmant overeind. Volgens Ruud moeten de jongens zich gewoon op het spel concentreren. Ze zullen het Hongaars trouwens niet eens verstaan!
De Hongaren ontkennen dat de anti-racisme actie iets met de Feyenoordse multi-culturele ploeg te maken heeft. Ze hebben zelf immers een Hongaars-Afrikaanse en een Braziliaanse speler in hun team. Zo is er heel lang gesproken en toch niets gezegd.
De pers lijkt ietwat teleurgesteld dat de zwarte voetbalpoliticus geen harde uitspraken heeft gedaan waarmee ze vette koppen kunnen maken.

‘Het is te snel gegaan,’ zegt Ruud, als ik hem vraag hoe hij terugblikt op zijn carriere als voetballer. ‘Er was nooit tijd om stil te staan, je kon nooit nagenieten van een overwinning, je moest meteen weer naar de volgende. Je werd beoordeeld op de laatste wedstrijd.’
Ik vraag me af of hij beseft dat hij niet alleen in Azië en Afrika als rolmodel diende, maar ook voor Indische jongens, Molukse, Surinaamse, Marokkaanse in ons land.
‘Dat had ik niet door. Ik was met mijn eigen land niet bezig, daar ging alles goed, mensen hadden niets te klagen. Geluk bestaat niet. Voor geluk moet je zelf gaan. Hoe graag wil je? Daar gaat het om.
Toen ik tien, elf jaar was had ik door dat ik goed kon voetballen. Ik wist dat ik, omdat ik donker was, beter moest zijn dan de Hollandse jongens. Ik heb altijd voordeel gehaald uit mijn andere kleur. Tussen die anderen val je op, dus ze onthouden je. Als je dan zorgt dat je beter bent dan zeggen ze:’Kijk die zwarte, moet je die zien rennen.’
Ik moest er wat voor over hebben, kon niet zoveel uitgaan, niet drinken, niet roken. Ik was heel onzeker, meisjes wilde ik wel, maar ik durfde geen toenadering te doen. In Benidorm was ik, dertien, veertien jaar oud een keer op een meisje afgestapt en vroeg haar ten dans en toen zei ze nee. Daarna zag ik haar wel met een blanke jongen dansen. Dat maakt je voorzichtig.
Ik wilde geen weigering, geen vernedering.’
Ruud is opgevoed door een Hollandse moeder, waardoor hij een nuchtere Hollander is in een exotische Surinaamse verpakking.
‘Jij had het gemakkelijker dan iemand met beide ouders uit een andere cultuur,’ zeg ik, ‘dankzij de onvoorwaardelijke liefde van een door en door hollandse moeder.’

'Mijn mooiste tijd is mijn jeugd in de Jordaan,’ lacht hij. ’In het begin was ik dat aardige negertje. Op een dag leerde ik Surinaamse jongens uit de Kinkerbuurt kennen en met hen trok ik ook op. In die tijd had je allerlei knokploegen. Dat was toen ik van de basisschool naar de middelbare school ging. We werden een keer geprovoceerd, en de messen werden getrokken. Een jongen had een priem. De zaak werd al vrij snel gesust, maar iemand had de politie gebeld. Ik had zo’n militaire pukkel met mijn schoolspullen erin en op het politiebureau begonnen die agenten me te sarren van:”Oh, het negertje kan studeren.” Later vertelde ik dat aan mijn moeder en die is woedend naar het politiebureau gegaan en heeft daar als een echte Jordaanse de boel verrot gescholden.’
Mijn Indische neven groeiden ook op in de jordaan en zijn met regelmaat op het politiebureau terecht gekomen. Maar ik weet zeker dat mijn tante daar nooit woedend is binnengestormd.

"Trok je meer op met je eigen kleur of met de blanke jongens?"
‘Ik kan het met iedereen vinden. Ik had Surinamers en Molukkers en Marokkanen als vrienden en ik had ook veel vrienden die later joods bleken te zijn, maar ik wist het niet eens. Ik zag geen verschil. Als ik met blanken was dan kon ik de discotheek gewoon binnen, maar als ik dan eens met een stel Surinamers ging, dan mocht ik er net als zij ook niet in.’
‘Hoe kijk jij naar de moord op Theo van Gogh?” vraag ik.
Hij zwijgt even. Dan zegt hij:”Ik ga nu iets zeggen dat heel rechts klinkt. Naar mijn mening zijn wij slachtoffer geworden van onze democratie. Nieuwkomers weten er niet mee om te gaan. Zij zijn niet in een democratie geboren. Vroeger, toen ik een jaar of tien, elf was, wist ik dat het strengste politiebureau in de Warmoestraat was. Daar kreeg je klappen. Je moest er dus voor zorgen dat je daar niet terecht kwam.’

"Vind je dat wat supporters op de tribune roepen een vorm van vrijheid van meningsuiting?"
‘Britse hooligans die naar Portugal gaan en zich daar misdragen en klappen krijgen van de politie komen erachter dat je de politie in Portugal niet kan aanklagen. Dus zullen ze zich de volgende keer in Portugal misdragen?’
‘Wat geef je jouw zwarte spelers mee, wat leer je ze over hoe ze moeten omgaan met beledigingen van het publiek?’
‘Ze moeten sportief wraak nemen door te winnen. Ikzelf voedde me ermee, ging nog harder werken.’

"Waar ligt voor jou de grens van vrijheid van meningsuiting?"
‘Respect. Altijd alles met respect. Laat ieder in zijn waarde.’
De wedstrijd tussen Feyenoord en Ferencvaros is al twee minuten bezig maar ik kan niemand in het publiek zien met een affiche omhoog. Het is een spannende wedstrijd, het publiek gedraagt zich voorbeeldig en buiten het stadion is alles voortreffelijk door de politie en de bewakingsdienst geregeld. Ik spreek Ruud na afloop nog even in het hotel. Er heerst een ontspannen sfeer. Het gelijkspel wordt beleefd als een overwinning. De lichte knieblessure bij de Tunesische speler is volgens Ruud die jongen zijn eigen schuld. ‘Had hij de bal maar niet zo lang bij zich moeten houden. Hij bleef veel te lang dribbelen.’
Gullit’s telefoon gaat. De Nederlandse televisie vertelt dat de moordenaar van Theo van Gogh een brief op zak had waarin staat dat Ayaan Hirshi het volgende slachtoffer zal zijn. We worden erg stil.

Dan wordt er gevraagd of er rellen waren, hoe was de wedstrijd?
‘Erg sportief, mooie wedstrijd, beide ploegen hebben goed gespeeld,’ zegt Ruud,...‘nee, het publiek was goed, ze hebben zich keurig gedragen, goeie sfeer, niks aan de hand.’
In de taxi op weg naar mijn hotel denk ik aan mijn laatste vraag van die middag:‘Wat is je advies aan degenen die een democratie niet gewend zijn?’

Ruud zei:‘Iedereen mag zijn mening geven. In een democratie moet je je de mening van een ander niet persoonlijk aantrekken, al ben je het er niet mee eens. Je moet de emotie ervan losmaken.’

© Marion Bloem, november 2004