Een envelop met geld

Een kennis zegt: 'Ik heb een gewetensvraag. Mijn vriend helpt in zijn vrije tijd met de bazaar van de kerk. De opbrengst is voor het onderhoud van de kerk. De zolder van de parochie staat vol met meubels die mensen aan de kerk gegeven hebben. Met nog wat andere hulpvaardige kerkgangers moest hij de meubels helpen versjouwen. Onder een tafel vond hij een dikke envelop. Hij zei niks tegen de anderen. Er bleek veertigduizend gulden in te zitten. Hij wachtte af of hij er ooit iets over hoorde. Na een tijdje ging er toch iets knagen in hem, want op de envelop stond een naam. Deze bleek van een overleden notaris te zijn. Hij deed navraag zonder iemand te zeggen waar het om ging. De notaris had een erfgenaam. Hij belde deze man op, en zei: 'Ik heb iets voor je, maar je moet me beloven dat je tien procent ervan als beloning geeft. Toen de man in zo'n dure auto voorreed kreeg hij spijt. Mijn vriend kreeg de tien procent waar hij om gevraagd. Maar wat zou jij nou doen?'

Mijn spontane antwoord is: 'Ik zou het houden natuurlijk...' Maar dan, slik, corrigeer ik mezelf: 'Nee, toch niet, er stond immers een naam op de envelop...' Dan vervolg ik gulzig: 'Maar als je hoort dat die man dood is... tja,... het is zwart geld, dus er zit al een luchtje aan... het is eigenlijk van niemand!'

Ik ben oprecht blij dat ik het niet gevonden heb. Ik krijg al hartkloppingen van de gedachte dat ik de envelop mee naar huis zou nemen zonder deze aan de anderen te hebben laten zien.
De kennis zegt: 'Ik verklaarde mijn vriend voor gek.'
Zijn vrouw zegt: 'Het is genoeg voor een wereldreis.'
Mijn man, als nietsontziende moralist, stelt zijn retorische vraag: 'Maar die tafel was toch van de kerk?' De kennis kijkt hem verbaasd aan: 'Gos, zo had ik het nog niet bekeken. Ik heb het verhaal al een aantal malen verteld, maar niemand heeft er nog zoals jij op gereageerd. Ik ga het meteen aan mijn vriend vertellen!'

En ik voel me diep schuldig terwijl ik die envelop niet eens gevonden heb.

© Marion Bloem, mei 2000