Olympische spelen

De Olympische Spelen associeer ik met zomervakantie, gesloten gordijnen, een donkere huiskamer, en mijn vader languit op de bank.

Veertien jaar oud deed ik niets liever dan het ene na het andere baantje trekken in het zwembad, tien kilometer van huis, in het gebied van de Utrechtse heuvelrug. Nadat ik uitgeput was van het zwemmen, moest ik nog bergop naar huis, vaak tegen de wind in, om op tijd voor het avondeten te zijn.

Mijn ouders aten stipt om vijf uur 's middags, en wij hoorden om vijf voor vijf thuis te zijn. In de keuken stond mijn moeder achter het plastic gekleurde vliegengordijn steevast in de pannen op het gasfornuis te roeren. Terassi, knoflook en gebakken uien knapperden in de hete olie. Toen ik de deur naar de huiskamer opendeed stapte ik de wereld van de Olympische Spelen binnen.

In de donkere koele huiskamer was alleen de zwartwit televisie zichtbaar. De stem van de verslaggever leek te fluisteren. In mijn herinnering waren ze altijd aan het hordenlopen. Lange benen die over hekjes sprongen.

Au, dacht ik, als er weer een hekje omviel. In het donker moest ik de tafel dekken. Mijn oudere zus kwam net op tijd binnen, even na mijn broertje, dat de godganse dag op het pleintje achter ons huis voetbalde.

Mijn jongste broertje, een nakomelingetje, met zijn tanden in de rand van de houten box, staarde met zijn grote zwarte ogen naar mijn vader die af en toe enthousiast van de bank opsprong om juichend te applaudisseren, en klapte als een aapje mee.

De televisie bleef aan als we aan het eten waren. Mijn vader bracht ons op de hoogte van de standen van de Olympische helden. Het ging allemaal langs mij heen.

En toch, als er drie winnaars op de verhoging stonden, en het volkslied van de winnaar van welk land ook, gespeeld werd, biggelden er als vanzelf tranen over mijn wangen.

'Is er wat?' vroeg mijn moeder. Ik vluchtte beschaamd naar de w.c. Mijn tere tienerhart kon de emoties van de Spelen niet aan.

© Marion Bloem, juli 2000