Een lichte tas

Ze draagt een nieuwe jurk. Donkerblauw, bijna zwart. Glad langs haar lichaam. Haar haren gewassen voordat ze de stad in ging. Een half uur meegezongen met oude nummers van Madonna. Een cassette bandje op de bodem van de auto. Nog van ver voor haar eerste liefde. Nog van voordat ze deze auto kocht. Gevonden toen ze haar zonnebril liet vallen. De zonnebril, vanwege haar donkere stemmingen, allang niet meer opgehad. Haar oude Volvo is het enige waaraan ze nog waarde hecht. Twee grote liefdes, en een aantal onbelangrijke achter de rug. Haar wagen heeft die mannen allemaal naakt gezien. Meestal jonge, knappe, maar ook een oude, en twee lelijke. De een bloter dan de ander. Sommigen trokken alleen hun schoenen uit. Het is vandaag de eerste dag dat ze zonder verdriet is opgestaan. Toen ze zichzelf in de spiegel zag besloot ze: Ik huil niet meer om hem. Een lichte boodschappentas, met alleen closetpapier , servetten, en inlegkruisjes, omdat ze eigenlijk niets nodig had. Alles was in huis. Ze wilde gezien worden. Niet als een vrouw op zoek, maar als een drukbezette dame, met even een uurtje tussen vele afspraken om naar de Albert Heyn te gaan, loopt ze rond. Ze zwaait de tas vrolijk heen en weer. Voelt de herfstzon op haar blote schouders. Haar kin in de lucht. Haar groene ogen blij. Er is nog geen reden om blij te zijn, weet ze, maar die komt, want ze heeft vandaag eindelijk weer zin om te stralen. Op een racefiets nadert een man, jonger dan zij. Hij gaat hard. Ze ziet hem van ver door zijn sprekende ogen. Ogen die door haar nieuwe jurk heen de contouren van haar lichaam aftasten. Ze kijkt terug. Zijn gespierde armen, de bruine licht behaarde benen. Dan terug naar zijn ogen. Hete ogen. Alsof ook deze ogen na veel huilen eindelijk weer opengaan. Hij staat op de rem. Zij loopt door. Iets sneller dan tevoren. Slaat de hoek om. Een steeg. Verlaten. Ze hoort haar eigen adem en haar hoge hakken op de klinkers. Achter haar zijn fiets. De versnelling. De achteruittrap. Een magisch geluid, dat zingen tussen twee versnellingen. Hij wil niet sneller vooruit dan zij. Ze weet niet zeker of hij nog wel achter haar is. Kun je met zo weinig geluid zo langzaam fietsen? Ze gaat haastiger lopen. Hoort haar eigen felle stappen. Weer een hoekom. Een drukkere straat. En nog een hoek om, naar waar haar auto staat. Met meer dan genoeg tijd op de meter. Ze zoekt de sleutels. Gooit de lichte tas op de motorkap. De doos met inlegkruisjes glijdt eruit, valt op de stenen. Ze bukt. Bukt. Bukt met overgave. Haar benen recht. Haar billen gericht naar waar ze denkt dat hij staat. Traag komt ze overeind. Kijkt op. Hij staat met zijn fiets recht tegenover haar. Die blik. Die begeerte heeft ze een zomer lang gemist. Ze steekt de sleutel in het slot van het portier. Ziet, als ze steels opkijkt, dat hij zijn racefiets met twee sloten, gedegen vastzet aan een paal. Start de auto. Opent het rechterportier. Haar stem voelt schor. Dus zegt ze niets. Hij ruikt zoals het moet.

© Marion Bloem