meer over Marion Marion Bloem op het web Download cv

BLOEM!

Laat ik het maar toegeven, en ik doe dat niet zonder enige schaamte, ik heb destijds de debuutroman van Marion Bloem gekocht omdat haar foto op de cover stond. Volle lippen, indringende amandelvormige ogen en weelderig gitzwart haar. Je gedachten zouden voor minder op hol slaan. En ik ben ook maar een man...

Het moet in de winter van ‘87 zijn geweest. De naam was me volslagen onbekend, de titel sprak me wel aan “Geen gewoon Indisch meisje”. Dat kon je ook raden, aan de foto. Ik las het boek in de zomer van datzelfde jaar, vakantie in de Provence. Bloedheet in Saint-Rémy, meer dan veertig graden in Nîmes, Marijke zeven maand zwanger van Trui en compleet geveld door de hitte. Ik verdween af en toe in de nog verzengender, klamme hitte van Indonesië tijdens het lezen van “Geen gewoon Indisch meisje”. Het was soms doorbijten, dat gespleten verhaal van het Hollandse meisje en het Indische meisje, dat eigenlijk het verhaal van één en hetzelfde meisje is, maar dat haar gemengde culturele achtergrond (Hollands en Indisch-Indonesisch) als een soort schizofrenie beleeft. Na een halfjaar alleen maar de cover te hebben aangestaard, had het boek me nu ook in de ban. En dat had niet alleen meer te maken met die betoverende blik en die glimmende lippen. Het had met een andere Nederlandse schrijver te maken die honderd jaar voor Marion Bloem over Nederlands-Indië had geschreven: Multatuli.

Ik was geen lezer als kind of puber. Het veldje op de Zevekote, dat later het voetbalplein van Reningelst zou worden, had te veel aantrekkingskracht en later waren er meisjes en veel te veel TV. De Arendsogen, Hardy’s en Rode Ridders liet ik aan mij voorbijgaan. Op een verwaaide “Pietje Puk” of “Brief aan de koning” na, was “Max Havelaar of De Koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy” het allereerste échte boek dat ik las. En ik was meteen met verstomming geslagen. Zo zat literatuur dus in mekaar. Het was niet zomaar een verhaaltje vertellen, neen het was componeren, of beter nog: assembleren. Een beetje zoals Picasso een gitaar ziet, hem compleet uit elkaar haalt en er dan een kubistische compositie mee maakt. De gitaar is er nog maar hij lijkt door een schrapnel in duizend stukken versplinterd en verkeerd weer in mekaar gezet. Later, als ik wél aan het lezen was geslagen, zou ik merken dat lang niet alle literatuur zo in mekaar zat. Dat er wel degelijk gewone verhaaltjes werden verteld, dat er best wel veel boeken werden geschreven die geen maatschappelijke visie wilden verkondigen, dat heus niet elke schrijver zijn verhaal met splinterbommen te lijf ging. En dus blééf Multatuli lang hangen. De voorbije tien maanden heb ik met flink wat discipline eindelijk “Ulysses” van James Joyce gelezen. Verbluffend, natuurlijk en uitermate geestig en net zo moeilijk als je ‘t zelf wil maken. Maar zijn zo innovatieve, nooit vòòr- noch nàgedane vormelijke origininaliteit en virtuositeit, werd eigenlijk tweeënzestig jaar eerder briljant toegepast door Multatuli in de “Max Havelaar”.

Maar er was niet alleen de vorm, ook de inhoud beklijfde. De sociale aanklacht ja, maar ook gewoon de sfeer van Nederlands Indië, het overweldigende landschap, de hitte, het aparte taalgebruik. Even later zou ik Louis Couperus’ “De Stille Kracht” lezen. Bij het bestaande beeld van Nederlands Indië zou ook nog de wellustige landerigheid komen en de aanwezigheid van magie en mystiek. Ik zou natuurlijk “Oeroeg” lezen van Hella Haasse en “Bandoeng-Bandung” van Springer. Indonesië - Nederlands-Indië zou een bekende biotoop worden in mijn geest. Geen wonder dat de lectuur van “Geen gewoon Indisch meisje” indruk maakte.
Het waren cruciale jaren in mijn leven. Ik werd producer bij de radio en zou eindelijk eens werk gaan maken van een roman. Het schrijven van theaterstukken was me misschien wel bevallen maar ik miste, oh ijdelheid der ijdelheden, zo’n mooi gedrukt kleinood met een cover waarop mijn naam stond te lezen en een achterflap die het boek de hemel inprees. Ik had twee voornemens: mijn debuutroman zou geen rechtlijnig vertellinkje worden, er zouden splinterbommen aan te pas komen en als producer zou ik ooit dat mooie Indische meisje van de cover interviewen.

Dat eerste duurde nog tot 1995, het interview had plaats op 24 maart 1992 in Amsterdam. Ik had nog geen boekenprogramma, had lang moeten het goeie moment afwachten, maar met “De honden van Slipi” schreef Marion een boek over een Indische vrouw die met haar man en zoon op reis gaat naar Indonesië. Op reis gaat? Dat moest ik kunnen slijten aan het reisprogramma dat mijn collega Ann Lepère maakte: “Koffers & Co.”

Ik ging me nog een borrel moed indrinken in “De Twee Prinsen”, een bruine kroeg op één van de grachten. Even later belde ik aan in haar atelier aan de Weststraat. Ze trok de deur open: “Jij moet Wim zijn”. Ik was op slag van de kaart. Het meisje van de cover stond eindelijk voor me. Ik kon geen woord uitbrengen. Ik was een kop kleiner, broekvent maar wél kaal, lange, ongelijke plukken haar op kin en wangen en ongetwijfeld omwalmd door een zweetgeur vanwege de lange treinreis en de zenuwen die gepaard gingen met angstzweet. Mevrouw Bloem probeerde me op mijn gemak te stellen, ik kon uiteindelijk uitstoten dat ik het een schitterend boek had gevonden. Ze knikte vriendelijk maar met een blik van: ja, dat is het minste wat ik verwacht had! De ruimte was wit, aan de muur hingen schilderijen die de kinderlijke naïviteit van COBRA uitstraalden. Ik herkende de stijl, van de cover van het nieuwe boek (een nòg sensuelere foto was naar de achterflap verhuisd). Of ze ook beeldend kunstenaar was? Kijk dan stumperd, had ze kunnen zeggen. Ze maakte ook films, schreef kinderboeken, was ook nog eens moeder. Een knappe jongeman, zelfde amandelvormige ogen, zelfde strak, gitzwart haar kwam de ruimte binnen. Of hij broodjes wilde halen naar de snackbar op de hoek. Ik genoot van de plagerige manier waarop deze twee prachtige mensen, een moeder en een zoon, met elkaar omgingen. Of ik iets gemist had tussen “Gewoon Indisch meisje” en “De honden van Slipi”, vroeg ik. Eigenlijk mijn beste boek, zei ze. “Stomme Belg”, las ik in haar ogen, weet niet eens dat ik al een meesterwerk heb geschreven. Ik kreeg een verhalenbundel cadeau en beloofde “Vaders van betekenis” te lezen. Het wàs een meesterwerk waarin ze haar grote thema: de verscheurdheid van de Indo’s (de kleurlingen van gemengd Javaans en Europees bloed) die in Nederland wonen, worstelend met hun verleden, wegterend van heimwee naar “Het land van herkomst”, op ontroerende wijze uitwerkte. Zonder het te beseffen werd mijn tweede roman niet alleen een verhaal over kunst en wielersport (een slecht huwelijk, zo bleek) maar ook een echt “vaderboek”, over mijn vader en mezelf als vader en vaders tout court, altijd vaders, altijd van betekenis.

Ik zou Marion Bloem een tweede keer ontmoeten, opnieuw voor een radio-interview, opnieuw in haar atelier. Net wanneer we willen beginnen - er is eerst taart en verse thee geweest en een telefoon met haar man waarin ze me onbeschaamd beschrijft: “hij lijkt een beetje op die andere Belg, weet je wel”, ze kent maar twee Belgen lijkt het - komt een bestelwagentje aangereden met een tiental gigantische doeken en een reeks kleine tekeningen en aquarellen, pas terug van een tentoonstelling. Ze vraagt of ik wil helpen uitladen. Dit keer zijn het niet haar ogen, uitstekende sleutelbeenderen, haar geur of zelfs haar boeken, maar haar beeldende kunst die me de adem beneemt. Tedere figuurtjes die bescherming zoeken bij elkaar (meisjes, vrouwen, kinderen), zielige figuren waarvan een bedreiging uitgaat, met kroon of hoge hoed (mannen, met kleine piemeltjes). Het interview over haar reisverhalen passeert, maar het is de beeldende kunst die beklijft. Ik heb een nieuw voornemen: ik moet Bloem de kunstenares naar de Westhoek halen. Enkele jaren later gebeurt dat, in De Queeste in Loker. Ik heb in galeriehouder Dirk Vonckx een vurige medestander gevonden voor het werk van Marion en een gepassioneerde co-fan van de vrouw Marion Bloem, die niet alleen als schrijfster, cineaste en beeldend kunstenares innemend is maar ook als sociologe, psychologe, antropologe. Haar blik op de mens, in het bijzonder op de verhoudingen tussen mensen onderling, volkeren tegenover elkaar, rassen tegenover elkaar zowel als man en vrouw, man en man, vrouw en vrouw tegenover elkaar. Een ontmoeting met Bloem laat niemand onbewogen. Of dat nu in haar boeken is (vergeet vooral ook haar andere meesterwerk “Ver van familie” niet te lezen), bij het zien van haar beeldende kunst (van de maand in De Queeste in Abele) of tijdens een persoonlijke ontmoeting (op de vernissage op 10 mei), Bloem zal zich in je geheugen griffen.

Marion Bloem werd vijftig, vorige zomer. Met enige vertraging wordt dat gevierd in Nederland én in de Westhoek (op haar verzoek!). Ze toont recent beeldend werk waarin relaties blijven centraal staan. Het is erg kleurrijk, figuratief werk met de geest van Cobra maar leven ingeblazen door de heel persoonlijke, typische adem van Bloem. Tegelijk wordt haar nieuwe boek “Thuis” voorgesteld. Via “Thuis” kijk je haast onbeschaamd binnen in de ziel van Marion Bloem. Het zijn dagboekfragmenten, verhalen en gedichten geplukt uit haar eigen notitieboekjes. Dat zijn niet alleen schrijfschriftjes maar ook schetsboeken. Zo ervaar je nu als lezer zelf hoe ideeën ontstaan, hoe inspiratie voor haar werkt, hoe een schetsje groeit tot een groot schilderij. “Thuis” verklapt als het ware hoe de kunstenares Bloem haar bronnen vindt bij de vrouw, echtgenote, moeder, vriendin Bloem.

Het is een voorrecht dat wij haar nieuwste werk in première mogen meemaken. Het was mijn plicht om dat voorrecht niet voor mezelf te houden. Ik hoop dat je deze kans niet laat voorbijschieten.

Wim Chielens

Terug naar Laatste nieuws