Lezing Marion Bloem en de Tweede generatie
Geachte D&H,
De schrijfster Marion Bloem behoort evenals de hier aanwezige Alfred
Birney, tot de Nederlandse schrijvers die thuishoren in de Nederlandse
literatuurgeschiedenis. Als wij ze met Tweede generatie Indisch-Nederlandse
auteurs aanduiden, is dat niet om ze de toegang tot die algemeen-Nederlandse
literatuurgeschiedenis te ontzeggen, niet om ze in een laadje te
stoppen en vervolgens te vergeten, niet om ze te stigmatiseren,
maar juist om een bepaald aspect van hun leven en werk, onzes inziens
een buitengewoon belangwekkend aspect, de relatie met Nederlands-Indië
en Indisch Nederland, beter te kunnen belichten. Dat deze auteurs
en hun werk dus ook geheel anders benaderd en bestudeerd kunnen
worden, is vanzelfsprekend. Het verwijt van stigmatisering door
sommige auteurs gemaakt aan het adres van literatuurcritici en -historici
is overbodig: zinvolle bestudering vraagt soms om pragmatische of
didactische afbakening. En iedereen is zich daarbij bewust van het
feit dat een dergelijke afbakening nooit recht doet aan alle facetten
van iemands oeuvre.
Als dit voor iemand geldt, is dat wel voor Marion Bloem. Nog veel
te weinig is bekend op hoeveel creatieve gebieden ze actief is.
Ze schildert en tekent en beoefent grafische technieken. Ze exposeert
met grote regelmaat in binnen- en buitenland. En op dit ogenblik
ook in Het Indisch Huis. Bloem-lezers hebben de laatste jaren natuurlijk
wel steeds vaker gezien dat haar boekomslagen eigen ontwerpen hebben.
Het vanavond te presenteren boek Thuis, bevat een overvloed aan
reproducties van Marions schilderkunstig werk. Te weinig mensen
kennen haar talrijke tv-producties, documentaires en korte speelfilms,
al zullen in dit Indisch milieu ‘Het
land van mijn ouders’ en ‘Wij
komen als vrienden’ geen onbekenden zijn. En ook van Marion
als schrijfster hebben sommigen een incompleet beeld: behalve proza
schreef ze poëzie, behalve boeken voor volwassen schreef ze
jeugd- en kinderboeken; behalve fictie, non-fictie. Marion Bloem
is een all round kunstenaar en haar even kort introduceren betekent
per definitie haar te kort doen. ((Ik ga je dus te kort doen, Marion,
maar troost me met de gedachte dat ik daartoe door jouzelf ben uitgenodigd.))

De voorspelling van Rob Nieuwenhuys (in z’n Oost-Indische
spiegel) dat de Indisch-Nederlandse literatuur geen toekomst meer
zou hebben, werd geloochenstraft. De Eerste-generatieliteratuur
bleef bloeien, tot vandaag de dag (eind vorig jaar verscheen de
jongste roman over Indië van Hella Haasse, Sleuteloog), en
de Tweede-generatieliteratuur kwam er als een grote verrassing bij:
literatuur over Indië en het Indische of Molukse door mensen
die er niet geboren en getogen waren, of soms nog net geboren en
vervolgens op jeugdige leeftijd gemigreerd. Misschien was dat anno
1970 voor pak Rob wel onvoorspelbaar, anders dan nu, nu we aan literatuur
van tweede-generatiemigranten, of nieuwkomers gewend zijn. Wel is
voor ons de brandende vraag of er nog een Derde-generatie Indische
literatuur zal ontstaan. Esther Captain van dit Indisch Huis heeft
mij uitgelegd dat ik wat ongeduldig ben, de Derde generatie is nog
niet zo oud als de Tweede toen die begon te publiceren. Zij wees
mij op de veelbelovende prozaschrijfster Anjez Winkler en op de
dichteres Ramona Maramis.
In
de vakliteratuur zijn al vrij vroeg de volgende literaire karakteristieken
van deze Tweede generatie naar voren gebracht: 1. ze kennen Indië
niet uit ervaring, maar uit verhalen; 2. ze zijn nakomelingen van
gerepatrieerden; 3. ze zijn opgevoed volgens Indische normen 4.
er is meestal sprake van een dominante vaderfiguur: streng, zwijgzaam,
getekend door de oorlog; 5. ze worstelen soms met hun identiteit;
6. ze ontmoeten vooroordelen, onbegrip en onwetendheid. En deze
kenmerken gelden eigenlijk evenzeer voor de auteurs als voor hun
personages. Ik zou daar graag aan toevoegen dat men zich in de zoektocht
naar de eigen identiteit bedient van: geschiedkundige kennis, van
egodocumenten door ouders en familieleden, van literaire werken,
van overgeleverde Indische cultuur en van reizen naar het land van
afkomst. Deze reizen zijn door mij als ‘roots-reizen’
bestempeld, om ze te onderscheiden van de ‘terugkeerreizen’
van de Eerste generatie. De meeste auteurs hebben bovendien een
bijzonder taalgebruik, herkenbaar als een vorm van Indisch Nederlands.
En wat te denken van wat Esther Captain het ‘Indisch incest
taboe’ genoemd heeft: de voorkeur van Indo-mannen en -vrouwen
voor een witte partner. Dit is een belangrijk motief in de literatuur.
Dat deze aspecten relevant zijn, blijkt uit het Indisch oeuvre
van Marion Bloem, al ontbreekt in haar werk de zwijgzame, strenge
vaderfiguur zoals we die kennen in werk van Alfred Birney, Jill
Stolk of Adriaan van Dis. Marion doet een m.i. geslaagde poging
om niet alleen de gehele Indogeschiedenis voor de vergetelheid te
bewaren, maar ook om de verborgen aspecten ervan te onthullen en
te laten zien hoe groot de betekenis van Indië, de Indische
mens en de Indische cultuur is geweest en nog steeds is voor het
huidige multiculturele Nederland. In haar oeuvre wordt de identiteisproblematiek
gethematiseerd evenals het Indisch incest-taboe; de confrontatie
met de Nederlandse en Indonesische samenlevingen beschreven (binnen
de Nederlandse samenleving zowel de confrontatie met de witte Nederlander
als met andere Indo’s en met de Molukkers); de Indonesische
samenleving wordt gekend dankzij de rootsreizen; de Indogeschiedenis
gethematiseerd vanaf de VOC-tijd tot en met de dekolonisatie; documentatie
wordt gebruikt; de Indische cultuur wordt verbeeld, met name de
eetcultuur, de muziek, de dans, de beeldende kunsten en de stille
kracht.
In
haar literaire oeuvre acht ik in dit kader enkele boeken van bijzonder
belang, werken waarin de achtergrond van het leven in Nederlands-Indië
tot en met het leven in Indisch Nederland prominent gethematiseerd
is: Geen gewoon Indisch
meisje (1983), Vaders
van betekenis (1989), De
leugen van de kaketoe (1993) en Ver
van familie (1999). Voor mij vormen deze vier werken een samenhangend
groep, bijna een tetralogie, waarvan elk deel een bepaald aspect
representeert. Geen gewoon Indisch meisje gaat over de tweede-generatie
Indo, hier een jonge vrouw, op zoek naar haar identiteit. Wat betekent
het om Indisch te zijn in Nederland, zowel voor jezelf als voor
de anderen? Door de opdeling van de Indische hoofdpersoon in a.h.w.
een Indisch-Nederlandse Sonja en een Indisch-Indonesische Zon wordt
een gespleten persoonlijkheid gesuggereerd, waarvan slechts één
deel overleeft: Sonja. Zon pleegt zelfmoord, met een kris pustaka
(die ze in opdracht van haar overleden vader in Indonesië had
moeten achterlaten, maar wat ze niet gedaan heeft). Anders dan sommige
critici beschouw ik deze psychologische zelfdoding niet als het
opgeven van de Indische identiteit, maar van een Indonesische pretentie
van de Indische Nederlander. Rootsreizen in de literatuur van de
Tweede generatie leveren meestal herkenning op van verhalen, afbeeldingen,
woorden, gebaren, geuren en kleuren, en veel begrip voor de ervaringen
van de ouders en verdere familie, soms liefde en belangstelling
voor het land, maar eigenlijk nooit het gevoel of de overtuiging
Indonesisch te zijn. Indië bestaat niet meer, Nederland is
vader- en moederland geworden, de Tweede-generatie Indische-Nederlander
bekent zich als Nederlander, maar geeft daarmee zijn/haar Indische
identiteit niet op.
Deze roman werd het boegbeeld van de Indische literatuur in Nederland,
geschreven door kinderen van de eerste generatie migranten. De aanduiding
Tweede generatie Indische literatuur verscheen al spoedig in kranten
en vakliteratuur. Na Marions roman volgen in 1983 nog Jill Stolks
Scherven van smaragd en Nicolette Smabers De Franse tuin, in 1984
verschijnt Adriaan van Dis’ Nathan Sid en in 1985 Ernst Jansz
De overkant en Frans Lolpulalans Onder de sneeuw een Indisch graf
(dat zoals u wel weet, een Moluks graf is). De tweede-generatie
‘boom’zet zich voort met werken van Alfred Birney, Glenn
Pennock en (soms tegen wil en dank) van Theodor Holman. En dan laat
ik dichters als Eddie Supusepa, Madeleine Gabeler, Inge Dümpel,
Eddie Lie, Abé Sahetapy en Karin Ottenhoff (en vele anderen)
nog buiten beschouwing. Met Geen
gewoon Indisch meisje heeft de tweede-generatie Indisch-Nederlandse
auteur zich opvallend gemanifesteerd en sindsdien niet meer het
veld geruimd – wel hebben zich ondertussen ook tweede-generatie
Surinaamse, Antilliaanse, Arubaanse en vooral Marokkaans-Nederlandse
auteurs bij hen gevoegd, en is de traditionele Nederlandse literatuur
van de thematische en stilistische inteelt gered!
De tweede roman van de door mij eigenzinnig geselecteerde tetralogie
is Vaders van betekenis
uit 1989. Dit werk, dat door Marion wel eens een vroeggeboorte genoemd
is, vind ik persoonlijk inhoudelijk het meest interessant, omdat
het de geschiedenis van de Indo’s op een buitengewoon originele
manier thematiseert, van de zeventiende eeuw tot en met de 20ste
eeuw. De schrijvende hoofdpersoon Babs reconstrueert die geschiedenis
als haar oom Tjok overleden is, onder andere aan de hand van het
pak van oom Tjok – dat ons uiteraard aan het pak van Sjaalman
uit de Max Havelaar doet denken. De stamvader van de Indo’s
is Boudewijn/Buddy van Smeir, de zoon van gouverneur-generaal Van
Riemsdijk (Smeir is de omkering van Riems) en een Chinese njai.
Op deze wijze wordt de verbinding gelegd tussen de Mestiezencultuur
uit de VOC-tijd en de huidige Indische cultuur. Als Buddy sterft
neemt zijn nazate het Indische erfgoed van hem over, opdat en zodat
het nooit verloren zal gaan. Het werk thematiseert de Indische geschiedenis,
inclusief de Japanse bezetting , de bersiap en de Indische diaspora.
Er worden prachtige Indische verhalen in verteld, waarin niet zelden
de Indische spiritualiteit een belangrijke rol speelt (zoals dat
van oom Tjok en de krokodil). In de dialogen wordt het Indisch-Nederlands
gehanteerd, als ik die lees hoor ik de stem van Marion, of van mijn
overleden Indische buurvrouw (van Javaans-Nederlandse komaf). Intrigerend
is de relatie van Babs op Bali met een jonge Japanner: is dit een
provocatie of een verzoening?
Dat er behalve Indische vaders/mannen ook Indische moeders/vrouwen
van betekenis waren en zijn, blijkt uit De
leugen van de kaketoe (1993), een roman van hartstochten, waarin
de hoofdpersoon op zoek is naar de “contacten en confrontaties
met de vele vrouwen rondom mij vanaf mijn geboorte, en misschien
zelfs van ver daarvoor, die mij hadden gemaakt tot wie ik nu ben”.
In de roman Ver van familie
(1999) komen met de zoektocht van een jonge Indo-vrouw, Barbie,
uit de VS alle familiedraadjes bij elkaar. In deze roman is de tweede-generatie
Indische kunstenares Astrid bezig een intrigerend kunstwerk over
haar familie te maken, een artistieke stamboom met zuilen, video’s,
beelden, collages en foto’s.
Het is duidelijk dat Marion Bloem ook zo’n kunstenares is
als Astrid uit de fictie, die ter ere van de eeuwenoude Indische
familie een kunstwerk maakt. Zoals vaker bij de Tweede-generatie
schrijvers geeft zij niet alleen stem en beeld aan haar eigen generatie,
maar ook aan die van de ouders, de eerste generatie, en ook aan
die van de voorouders.
In het hier te presenteren boek Thuis
treffen we de getuigen van haar creatief proces, de bronnen van
haar artistieke leven, in het bijzonder dat van de eeneiïge
artistieke tweeling: de beeldende kunstenaar en de schrijver.
De dagboekbladen geven een spannende harmonie tussen afbeeldingen
en tekst: de afbeeldingen zijn geen illustraties bij de tekst, de
tekst is geen toelichting bij de afbeeldingen, er is een tweeledige
verbeelding die samen een wezenlijke eenheid vormt. Dit beeldverhaal,
deze beeldliteratuur nodigt eerst uit om de combinatie van beide
elementen als miniatuurkunstwerkje te beschouwen en pas in de tweede
plaats om beelden en woorden afzonderlijk te gaan kijken en lezen.
Wat ik overigens niet laten kon vanwege het intrigerend karakter
ervan. Zo las ik ergens de bijna retorische vraag “Wat is
Indisch?” en het even retorische antwoord erop: “Dat
is Indisch”. En op een andere pagina treft de kijker/lezer
zelfs 15 gemoedsbeelden aan over deze vraag, uiteenlopend van “Al
dat gezeur over wat Indisch is … a waste of time”, of
“Don’t talk about my bloody roots. Ik ben maar voor
een achtste Indisch hoor. Hoezo het Indische behouden? Wat is dat
dan? Ik ben gewoon mezelf”, tot “Lieverds, Indisch ben
je gewoon, of je dat nu leuk vindt of niet” en “Trots
dat ik Indisch ben”.
Wie dit prachtige boek gaat kijken en lezen, ervaart mijns inziens
zonneklaar dat Marion, haar familie, haar dagboeken en haar verdere
oeuvre bloody Indisch zijn. Al wil ik eindigen zoals ik begon: Marion
is een all round kunstenaar en wereldburger, haar thematiek is niet
alleen Indisch, maar ook universeel.
bekijk de special
|